kostuum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kos·tuum
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleding, pak’ voor het eerst aangetroffen in 1799 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kostuum kostuums
verkleinwoord kostuumpje kostuumpjes

Zelfstandig naamwoord

kostuum o

  1. (kleding) de kleding van iemand die bij een bepaalde activiteit, een ambt of een toneelrol hoort
    • Wat een mooi kostuum heb je aan! 
  2. (kleding) een stel kleren, een jas, een broek en een vest voor mannen
    • We moesten daar in kostuum heen. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen