outfit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • out·fit
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord outfit outfits
verkleinwoord outfitje outfitjes

Zelfstandig naamwoord

outfit m

  1. de uitrusting, en dan vooral de kleding, die men draagt en bij zich heeft
    • Wetend dat je er in ieder geval fantastisch uitziet. Zo kun je je concentreren op waar het werkelijk om gaat en hoef je je geen zorgen te maken over je outfit. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie