kompas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kom·pas
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘instrument dat de windstreken aanwijst’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1384 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kompas kompassen
verkleinwoord kompasje kompasjes

Zelfstandig naamwoord

kompas o

  1. instrument waarvan de naald het magnetische noorden aanwijst
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen