inslapen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inslapen
sliep in
ingeslapen
klasse 7 volledig

Werkwoord

inslapen

  1. ergatief in slapende toestand geraken
    • Hij was blijkbaar met alle lichten en de televisie nog aan ingeslapen. 
  2. ergatief, (eufemisme) met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
    • De hond leed aan een ernstige ziekte en zijn baasjes moesten hem daarom laten inslapen. 
  3. onovergankelijk (eufemisme) sterven, ontslapen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.