inslapen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·sla·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inslapen
sliep in
ingeslapen
klasse 7 volledig

Werkwoord

inslapen

  1. ergatief in slapende toestand geraken
    • Hij was blijkbaar met alle lichten en de televisie nog aan ingeslapen. 
  2. ergatief, (eufemisme) met een overdosis slaapmiddel een dier laten overlijden
    • De hond leed aan een ernstige ziekte en zijn baasjes moesten hem daarom laten inslapen. 
  3. onovergankelijk (eufemisme) sterven, ontslapen
  4. (figuurlijk) suf, duf en niet oplettend worden
     Het alleen zijn maakte me juist wakker. Wellicht was ik door mijn drukke agenda thuis wat mat en ingeslapen geraakt.[1]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be