inleveren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·le·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inleveren
leverde in
ingeleverd
zwak -d volledig

Werkwoord

inleveren overgankelijk

  1. afstand doen van koopkracht of van een deel van het inkomen
    • Iedereen moest inleveren na de fusie behalve de bedrijfstop die zijn zakken goed kon vullen 
  2. afgeven op een daarvoor bestemde plaats of bij een daartoe aangewezen persoon
Verwante begrippen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.