leverbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ver·baar
Woordherkomst en -opbouw

afleiding van naamwoord van handeling leveren met het achtervoegsel -baar

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen leverbaar leverbaarder leverbaarst
verbogen leverbare leverbaardere leverbaarste
partitief leverbaars leverbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

leverbaar

  1. als iets aan een klant verkocht kan worden
    • Steeds meer medicijnen zijn korte of lange tijd niet leverbaar. In 2015 was aan 625 middelen enige tijd een tekort, zo schrijft apothekersorganisatie KNMP maandag op haar website. Het aantal keren dat een medicijn niet beschikbaar was, lag daarmee vier keer hoger dan in 2010. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Joost Pijpker NRC 18 januari 2016