afleveren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·le·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afleveren
leverde af
afgeleverd
zwak -d volledig

Werkwoord

afleveren

  1. ditransitief brengen naar en achterlaten op de plek van bestemming
    • De koelkast werd thuis afgeleverd. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.