ingeven/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van ingeven | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | ingeven | in te geven | ||||||||
| toekomend | zullen ingeven in zullen geven |
te zullen ingeven in te zullen geven | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben ingegeven | te hebben ingegeven | ||||||||
| toekomend | ingegeven zullen hebben | ingegeven te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| ingevend | ingegeven | ev. geef in | mv. verouderd geeft in | geve in (bijzin) ingeve | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | geef in | geeft in | geeft in | geeft in | geeft in | geven in | geven in | geven in | |||
| verleden (o.v.t.) | gaf in | gaf in | gaf in | gaaft in | gaf in | gaven in | gaven in | gaven in | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal ingeven | zult/zal ingeven | zult/zal ingeven | zult ingeven | zal ingeven | zullen ingeven | zullen ingeven | zullen ingeven | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou ingeven | zou ingeven | zou(dt) ingeven | zoudt ingeven | zou ingeven | zouden ingeven | zouden ingeven | zouden ingeven | |||
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | ingeef | ingeeft | ingeeft | ingeeft | ingeeft | ingeven | ingeven | ingeven | |||
| verleden (o.v.t.) | ingaf | ingaf | ingaf | ingaaft | ingaf | ingaven | ingaven | ingaven | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal ingeven in zal geven |
zult/zal ingeven in zult/zal geven | zult/zal ingeven in zult/zal geven | zult ingeven in zult geven | zal ingeven in zal geven | zullen ingeven in zullen geven | zullen ingeven in zullen geven | zullen ingeven in zullen geven | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou ingeven in zou geven |
zou ingeven in zou geven | zou(dt) ingeven in zou(dt) geven | zoudt ingeven in zoudt geven | zou ingeven in zou geven | zouden ingeven in zouden geven | zouden ingeven in zouden geven | zouden ingeven in zouden geven | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb ingegeven | hebt ingegeven | hebt/heeft ingegeven | hebt ingegeven | heeft ingegeven | hebben ingegeven | hebben ingegeven | hebben ingegeven | |||
| verleden (v.v.t.) | had ingegeven | had ingegeven | had ingegeven | hadt ingegeven | had ingegeven | hadden ingegeven | hadden ingegeven | hadden ingegeven | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal ingegeven hebben | zal/zult ingegeven hebben | zult/zal ingegeven hebben | zult ingegeven hebben | zal ingegeven hebben | zullen ingegeven hebben | zullen ingegeven hebben | zullen ingegeven hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou ingegeven hebben | zou ingegeven hebben | zou/zoudt ingegeven hebben | zoudt ingegeven hebben | zou ingegeven hebben | zouden ingegeven hebben | zouden ingegeven hebben | zouden ingegeven hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm ingegeven worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt ingegeven | er is ingegeven | |||||||||
| verleden | er werd ingegeven | er was ingegeven | |||||||||
| toekomend | er zal ingegeven worden | er zal ingegeven zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou ingegeven worden | er zou ingegeven zijn | |||||||||
| lijdende vorm ingegeven worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | ingegeven worden | ingegeven te worden | ||||||||
| toekomend | ingegeven zullen worden | ingegeven te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | ingegeven zijn | ingegeven te zijn | ||||||||
| toekomend | ingegeven zullen zijn | ingegeven te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word ingegeven | wordt ingegeven | wordt ingegeven | wordt ingegeven | wordt ingegeven | worden ingegeven | worden ingegeven | worden ingegeven | |||
| verleden (o.v.t.) | werd ingegeven | werd ingegeven | werd ingegeven | werdt ingegeven | werd ingegeven | werden ingegeven | werden ingegeven | werden ingegeven | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal ingegeven worden | zult ingegeven worden | zult ingegeven worden | zult ingegeven worden | zal ingegeven worden | zullen ingegeven worden | zullen ingegeven worden | zullen ingegeven worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou ingegeven worden | zou ingegeven worden | zou/zoudt ingegeven worden | zoudt ingegeven worden | zou ingegeven worden | zouden ingegeven worden | zouden ingegeven worden | zouden ingegeven worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben ingegeven | bent ingegeven | bent/is ingegeven | zijt ingegeven | is ingegeven | zijn ingegeven | zijn ingegeven | zijn ingegeven | |||
| verleden (v.v.t.) | was ingegeven | was ingegeven | was ingegeven | waart ingegeven | was ingegeven | waren ingegeven | waren ingegeven | waren ingegeven | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal ingegeven zijn | zult ingegeven zijn | zult ingegeven zijn | zult ingegeven zijn | zal ingegeven zijn | zullen ingegeven zijn | zullen ingegeven zijn | zullen ingegeven zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou ingegeven zijn | zou ingegeven zijn | zou/zoudt ingegeven zijn | zoudt ingegeven zijn | zou ingegeven zijn | zouden ingegeven zijn | zouden ingegeven zijn | zouden ingegeven zijn | |||