homofiel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·mo·fiel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘homoseksueel’ voor het eerst aangetroffen in 1961 [1]
  • met het voorvoegsel homo- en met het achtervoegsel -fiel [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord homofiel homofielen
verkleinwoord homofieltje homofieltjes

Zelfstandig naamwoord

homofiel m

  1. een ouderwets woord voor homoseksueel
    • Homofielen worden steeds meer geaccepteerd in de Nederlandse maatschappij. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen homofiel homofieler homofielst
verbogen homofiele homofielere homofielste
partitief homofiels homofielers -

Bijvoeglijk naamwoord

homofiel

  1. homoseksueel
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen