zwijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwij·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet spreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zwijgen
zweeg
gezwegen
klasse 1 volledig

Werkwoord

zwijgen

  1. inergatief ervan afzien te spreken
    • Tijdens de kerkdienst moet je zwijgen. 
    • Nemo begreep er niet veel van maar hij deed er voorlopig het zwijgen toe.[3] 
     De monniken zwegen en treurden.[4]
     Het was fascinerend om te merken welk effect het zwijgen op mij en mijn omgeving had.[5]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Zwijgen als het graf
helemaal niets zeggen en/of totaal niets over iets vertellen
  • Zwijgen in alle talen
helemaal niets zeggen ofwel: niets van zich laten horen
  • Iemand het zwijgen opleggen
er met niemand over mogen praten en nieman diets mogen vertellen
  • Spreken is zilver, zwijgen is goud.
soms kun je beter je mond houden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. "zwijgen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. zwijgen op website: Etymologiebank.nl
  3. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 125
  4. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14
  5. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be