beletten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·let·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beletten
belette
belet
zwak -t volledig

Werkwoord

beletten

  1. overgankelijk iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
    • De automobilisten begonnen te toeteren omdat de verhuisauto de doorgang belette. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beletten

beletten

  1. meervoud verleden tijd van beletten
    • Wij beletten. 
    • Jullie beletten. 
    • Zij beletten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen