beletten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·let·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verhinderen’ voor het eerst aangetroffen in 1254 [1]
  • afgeleid van letten met het voorvoegsel be- [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beletten
belette
belet
zwak -t volledig

Werkwoord

beletten

  1. overgankelijk iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
    • De automobilisten begonnen te toeteren omdat de verhuisauto de doorgang belette. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beletten

beletten

  1. meervoud verleden tijd van beletten
    • Wij beletten. 
    • Jullie beletten. 
    • Zij beletten. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen