beletten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·let·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beletten


belette


belet


zwak -t volledig

Werkwoord

beletten

  1. (overgankelijk) iets of iemand storen in zijn/haar bezigheden
    De automobilisten begonnen te toeteren omdat de verhuisauto de doorgang belette.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beletten

beletten

  1. meervoud verleden tijd van beletten
    Wij beletten.
    Jullie beletten.
    Zij beletten.