assistent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sis·tent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord assistent assistenten
verkleinwoord assistentje assistentjes

Zelfstandig naamwoord

assistent m

  1. een mannelijk persoon die ondersteunt
    Zijn assistent zorgde voor het maken van een nieuwe afspraak.
    Hij is de assistent van de burgemeester.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl