assistent

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sis·tent
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘helper’ voor het eerst aangetroffen in 1535 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord assistent assistenten
verkleinwoord assistentje assistentjes

Zelfstandig naamwoord

assistent m

  1. een mannelijk of vrouwelijk persoon die ondersteunt
    • Zijn assistent zorgde voor het maken van een nieuwe afspraak. 
    • Hij is de assistent van de burgemeester. 
     Hij was gekleed in een uniform met de aanduidingen van de SOE en de rang van sergeant, gedoucht en geschoren toen hij op de afrondende afspraak verscheen met kolonel Grumpy, zoals iedereen de chef noemde, en zijn twee assistenten.[3]
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen