assistent

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sis·tent
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘helper’ voor het eerst aangetroffen in 1535 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord assistent assistenten
verkleinwoord assistentje assistentjes

Zelfstandig naamwoord

assistent m

  1. een mannelijk persoon die ondersteunt
    • Zijn assistent zorgde voor het maken van een nieuwe afspraak. 
    • Hij is de assistent van de burgemeester. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen