assistent

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·sis·tent
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord assistent assistenten
verkleinwoord assistentje assistentjes

Zelfstandig naamwoord

assistent m

  1. een mannelijk persoon die ondersteunt
    Zijn assistent zorgde voor het maken van een nieuwe afspraak.
    Hij is de assistent van de burgemeester.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl