had

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • had

Werkwoord

vervoeging van
hebben

had

  1. enkelvoud verleden tijd van hebben
    • Ik had. 
    • Jij had. 
    • Hij, zij, het had. 
     De meeste gezichten had ik nog nooit gezien.[1]
  2. vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd
    • Had toch langsgekomen! 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be

Bretons

Zelfstandig naamwoord

had

  1. zaad


Engels

Uitspraak

Werkwoord

had

  1. verleden tijd van have
  2. voltooid deelwoord van have


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

had m

  1. (dierkunde) serpent, slang


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • had

Zelfstandig naamwoord

had m bezield

  1. (dierkunde) serpent, slang
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen