had

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • had

Werkwoord

vervoeging van
hebben

had

  1. enkelvoud verleden tijd van hebben
    • Ik had. 
    • Jij had. 
    • Hij, zij, het had. 
  2. vormt de gebiedende wijs van de voltooid verleden tijd
    • Had toch langsgekomen! 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.


Bretons

Zelfstandig naamwoord

had

  1. zaad


Engels

Uitspraak

Werkwoord

had

  1. verleden tijd van have
  2. voltooid deelwoord van have


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

had m

  1. (dierkunde) serpent, slang


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • had

Zelfstandig naamwoord

had m bezield

  1. (dierkunde) serpent, slang
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen