seum

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

seum m

  1. (spreektaal) haat, verbittering, rancune
    «Quand Marceline a dit à Joseph qu’il savait pas jouer, il avait trop l’seum
    Toen Marceline tegen Joseph zei dat-ie niet kon spelen, was hij ontzettend verbitterd! [3]
Schrijfwijzen
  • sème
Uitdrukkingen en gezegden
  • Avoir le seum.
De pest in hebben, verbitterd, wrokkig zijn.

Verwijzingen