franc

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: frank

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • franc
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord franc francs
verkleinwoord francje francjes

Zelfstandig naamwoord

franc m

  1. (financieel) frank, munteenheid in verschillende Franstalige landen
    • De kaartjes waren wel veertig franc per stuk geweest, vertelde hij met glanzende ogen en hij maande met zijn vinger, je bent elf nu, pas op, nu ga je het beleven. [1]
  2. (numismatiek) muntstuk
    • Hij was een jongetje en dol op flipperen. Dus hij jatte telkens muntgeld van zijn vader, ook op de camping in Frankrijk. Hij strooide die munten zelfs vooraf uit op het pad naar de kantine: "Pap, kijk! Een franc! En daar nog een!" [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
53 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Middeleeuws Latijn francusvrij”, vrijgesteld (van belastingen e.d.), vernoemd naar de Germaanse Franken, die na de verovering van Gallië in de 5e eeuw n. Chr. de plaatselijke elite gingen vormen.
  • De munt is vernoemd naar het middeleeuwse goudstuk met de bijnaam franc à cheval “vrij te paard”.
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  franc     le franc     francs     les francs  

Zelfstandig naamwoord

franc m

  1. (financieel) voormalige munteenheid in o.m. Frankrijk, Luxemburg en België
    1. munteenheid in Zwitserland, Liechtenstein, en in een aantal Franstalig Afrikaanse landen en overzeese gebiedsdelen van Frankrijk
  2. (numismatiek) muntstuk
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   franc francs
  vrouwelijk   franche franches

Bijvoeglijk naamwoord

franc

  1. vrij
  2. vrijgesteld (van een aanbetaling)
  3. eerlijk en vrij, direct (van spreken, denken)
  4. (spreektaal) veilig, safe
    «T'inquiète, cette rue est franche.»
    Maak je niet ongerust, die straat is veilig. [1]

Verwijzingen