franc

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • franc
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord franc francs
verkleinwoord francje francjes

Zelfstandig naamwoord

franc m

  1. (geld) munteenheid in verschillende Franstalige landen
    • De kaartjes waren wel veertig franc per stuk geweest, vertelde hij met glanzende ogen en hij maande met zijn vinger, je bent elf nu, pas op, nu ga je het beleven. [1]
  2. (numismatiek) muntstuk
    • Hij was een jongetje en dol op flipperen. Dus hij jatte telkens muntgeld van zijn vader, ook op de camping in Frankrijk. Hij strooide die munten zelfs vooraf uit op het pad naar de kantine: "Pap, kijk! Een franc! En daar nog een!" [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
54 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  franc     le franc     francs     les francs  

Zelfstandig naamwoord

franc m

  1. (numismatiek) frank

Bijvoeglijk naamwoord

franc

  1. (spreektaal) veilig, safe
    «T'inquiète, cette rue est franche.»
    Maak je niet ongerust, die straat is veilig. [1]

Verwijzingen