factuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

factuur
Uitspraak
Woordafbreking
  • fac·tuur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rekening voor geleverde goederen’ voor het eerst aangetroffen in 1600 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord factuur facturen
verkleinwoord factuurtje factuurtjes

Zelfstandig naamwoord

factuur v

  1. een document met een beschrijving van goederen die een bedrijf (aan een ander bedrijf) geleverd heeft
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen