factureren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fac·tu·re·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
factureren
factureerde
gefactureerd
zwak -d volledig

Werkwoord

factureren

  1. (overgankelijk) een factuur opmaken van, op een factuur vermelden
    factureren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl