engagement

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • en·ga·ge·ment
enkelvoud meervoud
naamwoord engagement engagementen
verkleinwoord engagementje engagementjes

Zelfstandig naamwoord

engagement o [1]

  1. het belang hechten aan een maatschappelijke kwestie, verbintenis
    Tot nu ging het [in het buitenlands beleid] om positive-sum-engagements, samenwerken om grotere veiligheid en welvaart te bereiken voor Amerika én voor andere landen.”[2]

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. NRC Michel Kerres 10 november 2016