betrokkenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·trok·ken·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord betrokkenheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

betrokkenheid v

  1. het bij iets betrokken zijn
    • Ik heb geen betrokkenheid hierbij. 
  2. (juridisch), (pregnant) medeplichtig zijn aan iets strafbaars
    • Hij zit een celstraf uit voor betrokkenheid bij de invoer van drugs. 
  3. (pregnant) zich ergens nauw mee verbonden voelen, zich ergens voor inzetten
    • Ze heeft blijk gegeven van haar grote betrokkenheid bij het project. 
     Deze indrukwekkende demonstratie van betrokkenheid van de kant van de majordomus had een onverwachte uitwerking op de gevleide dichteres. Ze begon te schateren, waarbij zichtbaar werd hoe haar tanden verankerd waren in de met roze tandvlees overtrokken mandibula van haar schedel. Het was bijna angstaanjagend hoe grappig zij de goedbedoelde declamatie van haar eigen meesterwerk achtte.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 32
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be