dromen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[1] dromende man
[2] dromen van een pasgeborene
Uitspraak
Woordafbreking
  • dro·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dromen
droomde
gedroomd
zwak -d volledig

Werkwoord

dromen

  1. (inergatief) het ervaren van een reeks van gebeurtenissen of beelden, terwijl je slaapt
    Hij droomde dat hij de motor nu al had, maar toe hij wakker werd bleek dat het alleen maar een droom was.
  2. het zich iets voorstellen van iets dat men graag wil zien gebeuren
    Hij droomde nu al over de nieuwe motor die hij zou gaan kopen.
  3. met je gedachten ergens anders zijn
    Hij droomde tijdens zijn werk over zijn nieuwe motor.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • iets kunnen dromen
iets heel goed kunnen zodat je het zelfs slapend zou kunnen doen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dromen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord droom

Meer informatie