blussen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Blussen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blus·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blussen
bluste
geblust
zwak -t volledig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

blussen

  1. (overgankelijk) het doven van een brand
    De brandweer kon met moeite de brand blussen.
  2. vloeistof over heet eten doen
    Tijdens het bakken kun je het vlees blussen met wijn.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen