blussen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Blussen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blus·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blussen
bluste
geblust
zwak -t volledig
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

blussen

  1. overgankelijk het doven van een brand
    • De brandweer kon met moeite de brand blussen. 
  2. vloeistof over heet eten doen
    • Tijdens het bakken kun je het vlees blussen met wijn. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.