dito

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Italiaanse voltooid deelwoord detto (gezegd); het (hiervoor) gezegde
enkelvoud meervoud
naamwoord dito dito's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dito o

  1. een bevestiging in alle bijzonderheden
    Hij kon zijn dito daarover niet uitspreken.
Vertalingen
stellend
onverbogen dito
verbogen dito

Bijvoeglijk naamwoord

dito

  1. eender, hetzelfde
    Hij had een blauwe hoed en een dito jasje aan.

Bijwoord

dito

  1. eveneens
    De toneelspelers werden kleddernat door de plotselinge regenbui en de toeschouwers dito.


Italiaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈdiːto/
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse digitus (vinger, teen).
enkelvoud meervoud
dito dita
diti

Zelfstandig naamwoord

dito m

  1. (anatomie) vinger, teen