dito

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Italiaanse voltooid deelwoord detto (gezegd); het (hiervoor) gezegde
enkelvoud meervoud
naamwoord dito dito's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dito o

  1. een bevestiging in alle bijzonderheden
    • Hij kon zijn dito daarover niet uitspreken. 
Vertalingen
stellend
onverbogen dito
verbogen dito

Bijvoeglijk naamwoord

dito

  1. eender, hetzelfde
    • Hij had een blauwe hoed en een dito jasje aan. 

Bijwoord

dito

  1. eveneens
    • De toneelspelers werden kleddernat door de plotselinge regenbui en de toeschouwers dito. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.


Italiaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈdiːto/
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse digitus (vinger, teen).
enkelvoud meervoud
dito dita
diti

Zelfstandig naamwoord

dito m

  1. (anatomie) vinger, teen