dito

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van Middelnederlands dito dat teruggaat op het Venetiaans. Doordat Venetiaanse kooplieden het vaak in opsommingen gebruikten verspreidde het zich ook naar andere landen. Hetzelfde geldt voor ditto uit het Toscaans. Het Toscaans vormde de basis voor het moderne Italiaans. Hierin is het synoniem detto, zodat oudere etymologische verklaringen vaak naar deze woorden verwijzen [1][2].
enkelvoud meervoud
naamwoord dito dito's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dito o

  1. een bevestiging in alle bijzonderheden
    • Hij kon zijn dito daarover niet uitspreken. 
Vertalingen
stellend
onverbogen dito
verbogen dito

Bijvoeglijk naamwoord

dito

  1. eender, hetzelfde
    • Hij had een blauwe hoed en een dito jasje aan. 

Bijwoord

dito

  1. eveneens
    • De toneelspelers werden kleddernat door de plotselinge regenbui en de toeschouwers dito. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Italiaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈdiːto/
Woordafbreking
  • di·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse digitus (vinger, teen).
enkelvoud meervoud
dito dita
diti

Zelfstandig naamwoord

dito m

  1. (anatomie) vinger, teen


Middelnederlands

Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

dito

  1. als gezegd, net zo
    • Dit achtervolghende zyn de edele van Vlaenderen die daer ghevanghen waren.
      (…)
      Boudin Dongwies, poorter van Brugghe, schilt cnape.
      Meester Jan van Hoverschelde, bailliu van Ypre, dito.
      Jacop de Heere, burchmeester van den Vryen. dito.
       
      (…)}}[1]
Overerving en ontlening

Verwijzingen


Venetiaans

Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

dito

  1. hetzelfde, dezelfde (verkorting gebruikt in een opsomming om herhaling te voorkomen)
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

dito m

  1. woord, gesprokene

Werkwoord

  1. voltooid deelwoord van dir