corrigeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·ri·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
corrigeren
corrigeerde
gecorrigeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

corrigeren [2]

  1. (overgankelijk) iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren
    De leraar corrigeerde het eindproefwerk van de leerlingen.
  2. terechtwijzen, straffen
    Je moet een hond direct corrigeren als hij niet gehoorzaamt.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal