corrigeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·ri·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
corrigeren
corrigeerde
gecorrigeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

corrigeren [2]

  1. overgankelijk iets ontdoen van fouten of fouten aanduiden, verbeteren
    • De leraar corrigeerde het eindproefwerk van de leerlingen. 
  2. terechtwijzen, straffen
    • Je moet een hond direct corrigeren als hij niet gehoorzaamt. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal