corrigeerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·ri·geer·de

Werkwoord

vervoeging van
corrigeren

corrigeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van corrigeren
    • Ik corrigeerde. 
    • Jij corrigeerde. 
    • Hij, zij, het corrigeerde. 
     'Het valt allemaal wel mee', corrigeerde ze zichzelf zonder dat iemand het hoorde.[1]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2