uitchecken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·chec·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Engels
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitchecken
checkte uit
uitgecheckt
zwak -t volledig

Werkwoord

uitchecken onovergankelijk

  1. (informatica) bepaalde handelingen verrichten bij het verlaten van een informatiesysteem of transportmiddel
Antoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.