inchecken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Inchecken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·chec·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inchecken
/ˈɪntʃɛˌkə(n)/
checkte in
/ˌtʃɛktəˈʔɪn/
ingecheckt
/ˈɪnɣəˌtʃɛkt/
zwak -t volledig

Werkwoord

inchecken overgankelijk

  1. zich aanmelden aan een balie om een instapkaart te krijgen en eventueel bagage af te geven, voor vertrek met een vliegtuig of schip
    • Bij lagekostenmaatschappijen kan men slechts weinig bagage inchecken tenzij men bijbetaalt. 
  2. (informatica) zich aanmelden bij een informatiesysteem al dan niet met een speciale (OV-chip)-kaart
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie