aanbetaling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·be·ta·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanbetaling aanbetalingen
verkleinwoord aanbetalinkje aanbetalinkjes

Zelfstandig naamwoord

aanbetaling v

  1. (economie) een eerste betaling bij het kopen van iets op afbetaling of in termijnen
    • Heeft u de aanbetaling al gedaan? 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be