buurdorp

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur·dorp
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurdorp buurdorpen
verkleinwoord buurdorpje buurdorpjes

Zelfstandig naamwoord

buurdorp o [1]

  1. een dorp dat grenst aan het grondgebied van het eigen dorp; nabijgelegen dorp
    • Loppersum en omstreken ondervinden veel hinder van de door gaswinning in beweging gekomen bodem. Het gebied liep drie weken geleden nieuwe schade op door de forse aardbeving in buurdorp Zeerijp. Die beving bracht de discussie over de gaswinning in Groningen in een stroomversnelling. [2] 
    • Op die manier is er een competitie die leidt tot de titel 'Mooiste dorp'. Buurdorp Geesteren (Gld) heeft die vorig jaar in de wacht gesleept. Ook Haarlo heeft wel eens aan het circus meegedaan. [3] 
    • Dat plan valt slecht bij inwoners van buurdorp 's-Heerenbroek. Voorzitter Alex Kroeze van Dorpsbelangen 's-Heerenbroek kent het plan voor de zonnepanelen nog niet, maar heeft wel meteen een suggestie voor De Vries: ,,Laat ik vooropstellen dat alles wat je daar doet op z'n minst met je buurgemeente Kampen besproken moet worden. [4] 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.


Verwijzingen