achterbuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·buur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterbuur achterburen
verkleinwoord achterbuurtje achterbuurtjes

Zelfstandig naamwoord

achterbuur m

  1. persoon die in een huis woont waarvan het perceel grenst aan de achterzijde van het eigen perceel
     Een Duitse boerenfamilie die - gescheiden door enkele akkers en een houtwal - de achterbuur vormt voor de inrichting, had bezwaar aangetekend tegen het uitbreidingsplan.[1]
     Venema voelt zich als Asterix - met Romeinse kampementen voor, achter en naast zich - zei hij tegen de bestuursrechter. Aan dit stukje Hengelosestraat heeft hij het Leger des Heils als overbuur, Tactus Verslavingszorg als achterbuur en - als de gemeente haar zin krijgt - Tactus ook nog eens als naaste buur. Een stukje verderop in de Raiffeisenstraat zit ook nog de dagbehandeling van Mediant Geestelijke Gezondheidszorg.[2]
Hyponiemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 29 mei 2022 Weblink bron “Trajectum en Rentray mogen uitbreiden van RvS” (26-09-2012), Tubantia
  2. Bronlink geraadpleegd op 29 mei 2022 Weblink bron Gerben Kuitert “Notaris uit Enschede is overlast beu en wil geen 22 verslaafden als buurman” (20-01-2018), Tubantia