gebuurte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·buur·te
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van buur met het omvoegsel ge- -te dat een verzameling aangeeft [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord gebuurte gebuurten
gebuurtes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gebuurte v [2]

  1. de gezamenlijke buren, de buurt

Werkwoord

vervoeging van: buurten…
verbogen vorm: gebuurtee

gebuurte

  1. verbogen vorm van gebuurt, voltooid deelwoord van buurten

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen