bries

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

schepen in een stevige bries
Uitspraak
Woordafbreking
  • bries
Woordherkomst en -opbouw
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord bries briezen
verkleinwoord briesje briesjes
[2, 3] enkelvoud meervoud
naamwoord bries briesen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bries v/m

  1. (meteorologie) zachte frisse wind
    • Er was een heerlijk verkoelend briesje dat kwam van zee. 
    • ‘s Lands grootste doordeweekse wielertoertocht werd onder prima weersomstandigheden verreden, al stelde de stevige bries de conditie van menig deelnemer behoorlijk op de proef. [7] 
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) verbond (Jiddisj) [8]
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) besnijdenis [9]
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord bries briesen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bries o

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) verbond (Asjkenazisch Hebreeuws)

Werkwoord

vervoeging van
briesen

bries

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van briesen
    • Ik bries. 
  2. gebiedende wijs van briesen
    • Bries! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van briesen
    • Bries je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen