inbranden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bran·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inbranden
brandde in
ingebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

inbranden

  1. ergatief beschadigd raken door te lange blootstelling aan hitte, straling of bijtende stoffen
    • De rotor was helemaal ingebrand. 
  2. ergatief beschadigd raken door het te lang vertonen van hetzelfde beeld
    • Die monitor brandt in, als je dat beeld er alsmaar op laat staan. 
  3. overgankelijk gebruiksklaar maken door blootstelling aan hitte, straling of bijtende stoffen
    • Deze wok moet nog ingebrand worden. 
  4. met een brandijzer merken
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.