Naar inhoud springen

brandde

Uit WikiWoordenboek
  • brand·de
vervoeging van
branden

brandde

  1. enkelvoud verleden tijd van branden
    • Ik brandde. 
    • Jij brandde. 
    • Hij, zij, het brandde. 
     Hoe ontzettend haatte hij haar! Er brandde alleen licht boven de spiegel van de wastafel.[1]
     Doordat de noodverlichting brandde en zij de enige twee personen in de gang waren, kreeg het geheel iets spookachtigs.[2]