afbranden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bran·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbranden
brandde af
afgebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

afbranden

  1. (ergatief) geheel door brand teloorgaan
    Deze kerk brandde in 1477 af en werd vervangen door een veel grotere op dezelfde plaats.
  2. (overgankelijk) geheel door brand vernietigen
    Het gras in dit bos moet regelmatig afgebrand worden.
  3. iemand kleineren, belachelijk maken
    De stotteraar werd na zijn spreekbeurt door zijn klasgenoten helemaal afgebrand .
Vertalingen