afbranden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bran·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbranden
brandde af
afgebrand
zwak -d volledig

Werkwoord

afbranden

  1. ergatief geheel door brand teloorgaan
    • Deze kerk brandde in 1477 af en werd vervangen door een veel grotere op dezelfde plaats. 
  2. overgankelijk geheel door brand vernietigen
    • Het gras in dit bos moet regelmatig afgebrand worden. 
  3. iemand kleineren, belachelijk maken
    • De stotteraar werd na zijn spreekbeurt door zijn klasgenoten helemaal afgebrand . 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.