boezem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

vrouw met oranje strik op haar boezem
Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·zem
enkelvoud meervoud
naamwoord boezem boezems
verkleinwoord boezempje boezempjes

Zelfstandig naamwoord

boezem m

  1. (anatomie) bovendeel van het voorlijf
    Het magere meisje had een platte boezem.
    Pronte boezem of uitstekende kont, hoge of lagere taille? De communis opinio over wat aantrekkelijk is blijkt al sinds jaar en dag zo veranderlijk als wat. Bewondering voor het vakmanschap, tot in detail toegelicht in heldere bijschriften en relativering van waar de mens toch al die moeite voor doet, gaan hier hand in hand.[1]
  2. (waterstaat) waterloop die als verzamelbekken van het te spuien water van een polder dient
    De boezem heeft geen vast waterpeil.
  3. (anatomie) de twee bovenste afdelingen van het hart
  4. het meest eigen deel van iets of iemand (n.l. in het hart)
    De integriteit van regionale bestuurders, meer dan het leiderschap van Infantino, zal bepalen of grootschalig ethisch wangedrag en crimineel handelen in de boezem van de FIFA tot het verleden behoren.[2]
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de hand in eigen boezem steken
eerst kijken naar wat je zelf fout gedaan hebt
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. Sandra Heerma van Voss NRC 23 februari 2016
  2. NRC 29 februari 2016