atrium

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • atri·um
enkelvoud meervoud
naamwoord atrium atria,
atriums
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

atrium o

  1. (medisch) voorkamer van het hart
  2. (bouwkunde) een centrale ruimte in een gebouw
Synoniemen
Vertalingen
Gangbaarheid
96 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie