betuigen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·tui·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘verzekeren’ voor het eerst aangetroffen in 1270 [1]
  • Afgeleid van het Middelnederlandse werkwoord tugen met het voorvoegsel be-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
betuigen
betuigde
betuigd
zwak -d volledig

Werkwoord

betuigen

  1. overgankelijk iets duidelijk stellen
    • Hij betuigde zijn medeleven met de familie van de overledene. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • spijt betuigen
zich verontschuldigen
  • zijn medeleven betuigen
condoleren
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen