benijden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De pauw benijdt de nachtegaal omdat die zo mooi kan zingen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·nij·den
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nijd met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -en [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benijden
benijdde
benijd
zwak -d volledig

Werkwoord

benijden

  1. overgankelijk wensen dat men zelf mocht hebben wat een ander heeft en met de nodige pijn ervaren dat dat niet het geval is, jaloers zijn
    Ik benijd mensen die rijker zijn dan ik ben.
    Hij was niet te benijden met al die problemen met zijn gezondheid.
Opmerkingen
  • Ten Kate (1723) heeft een sterke vervoeging: benijden - beneed - beneden [2] en sterke vormen komen ook nu wel voor. Toch wordt meestal aangenomen dat het werkwoord een denominatief is van Middelnederlands nid "nijd" en daarom zwak is.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Aenleiding tot de kennisse van het verheven deel der Nederduitsche sprake. Lamber ten Kate. Amsterdam. MDCCXXIII