benadelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·na·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benadelen
benadeelde
benadeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

benadelen

  1. (overgankelijk) iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
    De moeder wilde niemand benadelen, dus gaf zij iedereen een gelijk aantal snoepjes.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Algemene Nederlandse Spraakkunst 12·2·1·3·1·c; geraadpleegd 2015-07-19
Vertalingen