benadelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·na·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
benadelen
benadeelde
benadeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

benadelen

  1. overgankelijk iemand of iets nadeel toebrengen, iemand of iets schade toebrengen
    • De moeder wilde niemand benadelen, dus gaf zij iedereen een gelijk aantal snoepjes. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen