beschadigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·scha·di·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van schade met het voorvoegsel be- en met het achtervoegsel -ig.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
beschadigen
beschadigde
beschadigd
zwak -d volledig

Werkwoord

beschadigen

  1. (overgankelijk) het toebrengen van schade
    Door de aardbeving is Christchurch zwaar beschadigd.
Vertalingen