schaden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • scha·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schaden
schaadde
geschaad
zwak -d volledig

Werkwoord

schaden

  1. overgankelijk iets of iemand schade toebrengen
    • Hij schaadde dat prachtige monument. 
     Hij was vijfenzestig geworden, dan was het niet langer gepast. Dat nam niet weg dat het een observatie was die niet te vermijden viel, en wat hij bij zichzelf in zijn zolderkamer dacht kon niemand schaden of in verlegenheid brengen.[1]
Synoniemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

schaden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schade
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be