deren
Uiterlijk
- de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| deren |
deerde |
gedeerd |
| zwak -d | volledig | |
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| deernis | |
- In de betekenis van ‘schade doen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]
deren
- overgankelijk schade doen, gewond raken, pijn krijgen
- Niets scheen hem te kunnen deren.
- Niemand werd gedeerd.
- De PVV-Kamerleden roffelen op hun kamerbankjes, om steun te betuigen aan hun leider. Dat SP-leider Jimmy Dijk hun toebijt dat dit ‘37 applaudisserende mensen’ zijn die ‘144.000 euro per jaar in hun zakken steken en niet eens naar debatten komen’, lijkt hen niet te deren.[2]
- [1]: schaden
- Het woord deren staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "deren" herkend door:
| 95 % | van de Nederlanders; |
| 90 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "deren" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ www.parool.nl (4 jun 2025)
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 95 %
- Prevalentie Vlaanderen 90 %