Naar inhoud springen

deren

Uit WikiWoordenboek
  • de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
deren
deerde
gedeerd
zwak -d volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
deernis
  • In de betekenis van ‘schade doen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100 [1]

deren

  1. overgankelijk schade doen, gewond raken, pijn krijgen
    • Niets scheen hem te kunnen deren. 
    • Niemand werd gedeerd. 
    • De PVV-Kamerleden roffelen op hun kamerbankjes, om steun te betuigen aan hun leider. Dat SP-leider Jimmy Dijk hun toebijt dat dit ‘37 applaudisserende mensen’ zijn die ‘144.000 euro per jaar in hun zakken steken en niet eens naar debatten komen’, lijkt hen niet te deren.[2] 
95 %van de Nederlanders;
90 %van de Vlamingen.[3]