bekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Becken

Nederlands

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord bekken bekkens
verkleinwoord bekkentje bekkentjes
Woordafbreking
  • bek·ken

Zelfstandig naamwoord

bekken o

  1. een vrij ondiepe maar brede ronde schaal
  2. (anatomie) het gebeente tussen beide heupen
  3. (muziekinstrument) een slaginstrument bestaande uit een metalen schaalvormige voorwerp
    Bekkens worden los gebruikt maar ook per twee tegen elkaar geslagen.
  4. (geologie) (aardrijkskunde) glooiende laagte, bodeminzinking, stroomgebied
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

bekken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bek
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bekken
bekte
gebekt
zwak -t volledig

Werkwoord

bekken

  1. op een enthousiaste manier zoenen
    Pieter stond in de hoek te bekken met die blondine.
  2. goed in de mond liggen
    Die titel bekt niet lekker en kan beter veranderd worden.