batist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·tist
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zacht doek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1827 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord batist -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

batist o

  1. een fijn, doorschijnend weefsel dat gemaakt kan zijn van linnen, wol, katoen, zijde of zelfs kunstzijde
Vertalingen

Gangbaarheid

50 % van de Nederlanders;
46 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

batist m

  1. (kleding) batist; een fijn weefsel
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·tist

Zelfstandig naamwoord

batist monbezield

  1. (kleding) batist; een fijn weefsel
Verbuiging
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen

Verwijzingen

Meer informatie