basta

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De basta in een kaartspel uit de 19e eeuw.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bas·ta
Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

basta!

  1. uitroep om een eind te maken aan verdere tegenspraak
Synoniemen
enkelvoud meervoud
naamwoord basta basta's
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

basta m

  1. (kaartspel) (omber, quadrille) klaveraas, de derde troefkaart

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
bastar

basta

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van bastar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van bastar