afgelopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen afgelopen
verbogen
partitief afgelopens

Bijvoeglijk naamwoord

afgelopen

  1. beëindigd.
    • Afgelopen kun je alleen gebruiken tegen het einde van de desbetreffende periode. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de afgelopen maanden/dagen/weken/jaren/uren
de maanden/dagen/weken/jaren/uren die net voorbij zijn gegaan
• `Ik zal morgen opruimen. Die dozen daar ook. En de koffers. Ik heb gewoon geen tijd gehad om ze uit te pakken de afgelopen weken.' [1] 
•  De Woutertje Pieterse Prijs voor het beste jeugdboek van het afgelopen jaar heeft doorgaans twee winnaars: het is uitdrukkelijk een bekroning voor de samenwerking tussen schrijver én illustrator. [2] 
•  Pakistan International Airlines’ (PIA) vlucht PK702 was afgelopen vrijdag om 21.20 uur klaar voor vertrek naar Islamabad. [3] 

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afgelopen

  1. voltooid deelwoord van aflopen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen