afgelopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·lo·pen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afgelopen
verbogen
partitief afgelopens - -

Bijvoeglijk naamwoord

afgelopen

  1. beëindigd.
    • Afgelopen kun je alleen gebruiken tegen het einde van de desbetreffende periode. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • De afgelopen maanden.

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afgelopen

  1. voltooid deelwoord van aflopen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.