afgelopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen afgelopen
verbogen
partitief afgelopens

Bijvoeglijk naamwoord

afgelopen

  1. beëindigd.
    • Afgelopen kun je alleen gebruiken tegen het einde van de desbetreffende periode. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de afgelopen maanden/dagen/weken/jaren/uren
de maanden/dagen/weken/jaren/uren die net voorbij zijn gegaan
  • `Ik zal morgen opruimen. Die dozen daar ook. En de koffers. Ik heb gewoon geen tijd gehad om ze uit te pakken de afgelopen weken.' [1]

Werkwoord

vervoeging van
aflopen

afgelopen

  1. voltooid deelwoord van aflopen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 285