barsten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·sten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
barsten
barstte
gebarsten
gemengd volledig

Werkwoord

barsten

  1. (ergatief) heftig breken of uiteenspatten
    Het koude glas barstte toen er heet water in werd geschonken.
  2. (absoluut) ~ van een versterking van de uitdrukking die volgt
    Het barst er van de muggen.
    Hij had het hele examen gebarsten van de slaap.
    Hij heeft een barstende hoofdpijn.
  3. laten barsten: iemand niet (meer) helpen terwijl dat eigenlijk wel moest
    De vrouw liet haar man barsten toen hij het moeilijk had op zijn werk.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

barsten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord barst
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl