barsten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bar·sten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘splijten’ voor het eerst aangetroffen in 1270 [1]
  • afgeleid van barst met het achtervoegsel -en [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
barsten
barstte
gebarsten
zwak -t

gemengd

volledig

Werkwoord

barsten

  1. ergatief heftig breken of uiteenspatten
    • Het koude glas barstte toen er heet water in werd geschonken. 
  2. absoluut ~ van een versterking van de uitdrukking die volgt
    • Het barst er van de muggen. 
    • Hij heeft een barstende hoofdpijn. 
     De Nationale 7 is verbonden met de opkomst van de auto in de jaren twintig en dertig. Destijds hadden auto's kleine brandstoftanks en gingen ze vaak kapot. Daarom barst het langs de route van de pompstations en garages, veelal opgetrokken in een betonnen art-decostijl, destijds het toppunt van moderniteit. Vele zijn vervallen, sommige zijn gerestaureerd, zoals een klassiek pompstation in Valence. Het mooiste voorbeeld van deze stijl ligt strikt genomen niet aan de Nationale 7: de Citroëngarage in Lyon.[3]
  3. laten barsten: iemand niet (meer) helpen terwijl dat eigenlijk wel moest
    • De vrouw liet haar man barsten toen hij het moeilijk had op zijn werk. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

barsten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord barst

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen