banaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·naal
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘alledaags’ voor het eerst aangetroffen in 1866 [1]
  • afgeleid van het Franse banal (met het achtervoegsel -aal) [2] [3]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen banaal banaler banaalst
verbogen banale banalere banaalste
partitief banaals banalers -

Bijvoeglijk naamwoord

banaal

  1. gewoontjes, saai en voorspelbaar, weinig verheven of de zintuigen prikkelend, platvloers
    • Ik hou van schone en van banale dingen. 
     Ik zei dat het een eer voor mij was haar te ontmoeten. Zij beaamde dat met een knikje Nu ik haar schaamteloos kon aankijken omdat zij voor mij stond, zag ik mijzelf genoodzaakt te concluderen dat zij niet echt mooi was, althans niet op de banale manier waarop mooie vrouwen doorgaans mooi zijn.[4]
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen