afgezaagd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·ge·zaagd
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afgezaagd afgezaagder afgezaagdst
verbogen afgezaagde afgezaagdere afgezaagdste
partitief afgezaagds afgezaagders -

Bijvoeglijk naamwoord

afgezaagd

  1. saai, alledaags, overbekend
    Hij doet wel erg afgezaagd werk.
    De man vertelt altijd afgezaagde grappen.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
afzagen

afgezaagd

  1. voltooid deelwoord van afzagen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl