banaliteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·na·li·teit
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van banaal met het achtervoegsel -iteit (van het Frans)
enkelvoud meervoud
naamwoord banaliteit banaliteiten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

banaliteit v

  1. gemeenplaats, alledaagse opmerking, platitude
  2. het banaal-zijn
    • 'Eichmann in Jeruzalem - De banaliteit van het kwaad' is een boek van Hannah Arendt 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.